BEYOND

GidsenVeiligheid14 min. leestijdBijgewerkt

Een lawinebulletin lezen

Het lawinebulletin is de enige dagelijkse bron die zegt waar lawines waarschijnlijk zijn, hoe groot ze worden en op welke exposities en hoogtes. De meeste skiërs kijken alleen naar het gevaarcijfer en laten het daarbij. Deze gids legt uit hoe je het hele bulletin leest (gevaarniveaus, lawineproblemen, de expositieroos) en er beslissingen over je route uit haalt.

Inhoud
Kort antwoord

Lees het in deze volgorde: het gevaarniveau voor jouw hoogte, de lawineproblemen, de exposities en hoogtes waar ze spelen (de expositieroos), de tekst die uitlegt waarom, en de tendens. Controleer dan je route: gaat die over hellingen van 30° of steiler op die exposities en hoogtes? Het cijfer alleen is niet het bulletin.

Waarom het bulletin ertoe doet

Het lawinebulletin is de enige dagelijkse bron die zegt waar lawines waarschijnlijk zijn, hoe groot ze worden en op welke exposities en hoogtes. De lawinediensten in de hele Alpen publiceren het in de winter elke dag.

Toch kijken veel skiërs alleen even naar het gevaarcijfer, één cijfer van 1 tot 5, en gaan ze zonder de details op pad. Het cijfer is de samenvatting van het bulletin, niet het bulletin zelf. De echte informatie zit in de lawineproblemen, de expositieroos, de hoogtezones en de uitgebreide tekst die precies beschrijft welke hellingen gevaarlijk zijn en waarom.

Een bulletin goed lezen kost ongeveer vijf minuten. Deze gids legt elk onderdeel van het lawinebulletin uit, hoe je het interpreteert en hoe je het omzet in concrete beslissingen over je route. De basis van het beoordelen van lawineterrein staat in de gids “Basiskennis lawines”.

De Europese lawinegevarenschaal

De Europese lawinegevarenschaal, vastgesteld door de EAWS (European Avalanche Warning Services, de Europese lawinediensten), loopt van 1 tot 5. Elke lawinedienst in Europa gebruikt deze schaal. Wat elk niveau in de praktijk betekent, en niet alleen hoe het heet, is de basis van elke routebeslissing.

Niveau 1, gering. Over het algemeen gunstige omstandigheden. Spontane lawines zijn onwaarschijnlijk. Door wintersporters veroorzaakte lawines zijn alleen mogelijk op enkele, zeer steile, extreme plekken. Bij dit niveau heb je meer vrijheid in je routekeuze, maar ga er nooit van uit dat het risico nul is. Hier en daar kunnen nog instabiele plekken zijn, vooral op noordhellingen of bij graten met ingewaaide sneeuw.

Niveau 2, matig. Overwegend gunstige omstandigheden. Het lawinegevaar is verhoogd op bepaalde steile hellingen die het bulletin beschrijft. Op de genoemde exposities en hoogtes moet je je route zorgvuldig kiezen. Lees “matig” niet als “geen gevaar”: in Zwitserland valt ongeveer 30% van de lawinedoden bij niveau 2 (SLF).

Niveau 3, aanzienlijk. Dit is het kritieke niveau. Op veel steile hellingen zijn de omstandigheden gevaarlijk. Spontane lawines zijn mogelijk. Door wintersporters veroorzaakte lawines zijn waarschijnlijk in het terrein dat het bulletin beschrijft. Terreinbeoordeling vraagt ervaring. De exposities, hoogtes en terreinvormen die het bulletin beschrijft, moet je mijden.

In Zwitserland valt ongeveer de helft van alle lawinedoden bij niveau 3 (SLF). Qua risico is het niet het midden van de schaal: de omstandigheden zijn levensgevaarlijk, maar niet zo duidelijk dat iedereen thuisblijft.

Niveau 4, groot. Zeer gevaarlijke omstandigheden. Spontane lawines zijn waarschijnlijk, ook grote. Door wintersporters veroorzaakte lawines zijn op veel steile hellingen waarschijnlijk. Bij niveau 4 adviseren de lawinediensten alleen matig steil terrein, buiten de uitloop van de steilere hellingen erboven.

Niveau 5, zeer groot. Uitzonderlijke lawinesituatie. Op grote schaal worden spontane lawines verwacht, ook op matig steile hellingen. Mijd al het lawineterrein. Dit niveau is zeldzaam; het volgt meestal op extreme sneeuwval of op snelle opwarming na veel nieuwe sneeuw. Zie je niveau 5, blijf dan in het skigebied of thuis.

Een belangrijke nuance: het gevaar kan binnen één bulletinregio verschillen per expositie en hoogte. Het bulletin kan het gevaar in het algemeen op 3 zetten, maar erbij zeggen dat het echte gevaar zich op noordhellingen boven 2.400 m concentreert. Dat zie je niet aan het cijfer alleen, wel aan de details.

De vijf lawineproblemen

De EAWS onderscheidt vijf typische lawineproblemen. Die zeggen welk soort lawinegevaar er is, niet alleen hoeveel. Bij elk probleem komen lawines op een andere manier los, in ander terrein, en elk probleem vraagt een andere aanpak van het risico. Het bulletin zegt welke problemen er spelen, waar ze zitten en hoe gemakkelijk er een lawine loskomt.

Nieuwe sneeuw

Verse sneeuw belast hellingen met extra gewicht dat het bestaande sneeuwdek misschien niet kan dragen. Nieuwe sneeuw kan leiden tot lossesneeuwlawines (sluffs) in steil terrein, of tot plaatlawines als de nieuwe sneeuw slecht hecht aan het oude oppervlak.

Dit is het lawineprobleem dat het meest voor de hand ligt: veel sneeuwval betekent meer gevaar. Wat telt, is de hoeveelheid nieuwe sneeuw, hoe snel die zich ophoopt, de temperatuur tijdens de sneeuwval en de wind. Koude, droge sneeuw die zonder wind valt, hecht slecht. Warme, natte sneeuw of door de wind verplaatste sneeuw kan snel platen vormen.

Aanpak: wacht tot de nieuwe sneeuw goed hecht, of kies beschut, flauw terrein. Het bulletin zegt hoe snel de nieuwe sneeuw hecht; kou houdt het probleem nieuwe sneeuw langer in stand. Het zegt ook hoeveel nieuwe sneeuw er is gevallen en waar het gevaar zich concentreert.

Ingewaaide sneeuw

Ingewaaide sneeuw (windplaten) ontstaat als de wind sneeuw van loefhellingen wegblaast en op lijhellingen afzet. Daar vormt die sneeuw samenhangende platen die onder een skiër kunnen afbreken. Windplaten kunnen ook zonder nieuwe sneeuwval ontstaan: de wind neemt de sneeuw aan het oppervlak mee en zet die elders weer af. Een helling die gisteren in orde was, kan 's nachts ingewaaid raken als de wind draait.

Windplaten zijn vaak te herkennen: let op kussenvormige afzettingen op lijhellingen, scheuren die wegschieten als je een helling kruist, en sneeuw die hol klinkt onder je voeten. Ze vormen zich meestal bij graten, achter terreinvormen en in geulen die de wind kanaliseren.

Aanpak: leid de windrichting af uit het bulletin en uit wat je in het terrein ziet (door de wind gevormde bomen, sastrugi, wechten). Mijd lijhellingen op de hoogtes waar de wind sneeuw heeft verplaatst. Zegt het bulletin “sterke noordwestenwind boven 2.500 m”, dan liggen de windplaten op zuid- tot oosthellingen boven 2.500 m bij de graten.

Oude sneeuw

Oude sneeuw (hardnekkige zwakke lagen) is het lawineprobleem waardoor ervaren riders het vaakst worden verrast. Diep in het sneeuwdek ligt een zwakke laag onder een stevig oppervlak dat er stabiel uitziet en zo aanvoelt. Die laag is vaak ontstaan doordat zich bij koud, helder weer kantige kristallen vormden. Je kunt er dagenlang zonder problemen op skiën, tot iemand een grote plaatlawine veroorzaakt die op de ingesneeuwde zwakke laag afbreekt.

Zwakke lagen in de oude sneeuw geven de grootste en meest verwoestende lawines. De plaat kan dik en zwaar zijn, en de breuk kan zich over grote afstanden voortplanten. Aan het oppervlak zie je er niets van.

Het bulletin beschrijft het probleem oude sneeuw expliciet. Let goed op als het erin staat. Het betekent dat het gevaar in het terrein misschien niet zichtbaar is, en dat gewone stabiliteitstests aan het oppervlak de ingesneeuwde zwakte misschien niet vinden. Dit is het probleem dat om de meest behoudende beslissingen vraagt.

Aanpak: speelt oude sneeuw, dan is terrein mijden het belangrijkste middel. Blijf op hellingen flauwer dan 30° en uit de uitloop van steilere hellingen, mijd de exposities en hoogtes die het bulletin beschrijft, en vertrouw niet op het stabiele gevoel onder je voeten. Ga één voor één over verdachte hellingen. Overweeg om heel ander terrein te kiezen.

Natte sneeuw

Water verzwakt de bindingen tussen de sneeuwkorrels. Als het sneeuwdek nat wordt door regen, warmte of sterke zon, verliest het snel aan sterkte. Nattesneeuwlawines kunnen lossesneeuwlawines zijn (die op één punt beginnen en uitwaaieren) of plaatlawines, en ze zijn meestal zwaar en verwoestend, ook al bewegen ze soms langzaam.

Wanneer ze komen, kun je vaak voorzien aan de hand van de weersverwachting, het tijdstip en de expositie. Oosthellingen warmen 's ochtends als eerste op, zuidhellingen rond het middaguur en westhellingen in de middag. Noordhellingen komen als laatste aan de beurt.

Aanpak: vertrek vroeg. Ga de zuidhellingen op voordat de zon ze zacht maakt en wees eraf voordat de middagwarmte ze gevaarlijk maakt. Let op sneeuwballetjes en sneeuwwieltjes aan het oppervlak: dat zijn vroege tekenen dat het sneeuwdek aan sterkte verliest. Wordt de sneeuw onder je voeten nat en zwaar, dan ben je te laat voor die helling.

Glijsneeuw

Glijsneeuw ontstaat als het hele sneeuwdek langzaam over een gladde ondergrond schuift, meestal rotsplaten of steile grashellingen. Je ziet het aan glijscheuren: grote, gapende spleten in de sneeuw waardoor je de grond eronder ziet. Glijsneeuwlawines komen los als de wrijving tussen sneeuwdek en ondergrond onder een kritieke grens zakt.

Wanneer glijsneeuw loskomt, is niet te voorspellen. Een glijscheur kan wekenlang openstaan voordat de sneeuw loskomt, maar het kan ook binnen een paar uur gebeuren.

Aanpak: mijd terrein onder zichtbare glijscheuren. Stop niet, rust niet en bouw niet om onder zo'n scheur. Ski niet onder glijscheuren door, ook niet als ze er al dagen zitten. Het bulletin noemt glijsneeuw als die een rol speelt; wat telt, is dat je zelf naar het terrein kijkt en wegblijft uit de zones direct onder elke scheur die je ziet.

De expositieroos lezen

De expositieroos (ook wel expositie-hoogtediagram genoemd) is een van de onderdelen van het lawinebulletin waar de meeste informatie in zit. Het is een rond diagram dat precies laat zien welke exposities (hemelrichtingen) en hoogtes gevaarlijk zijn. Het is essentieel dat je hem snel en goed leert lezen.

De buitenste ring van de roos toont de acht hemelrichtingen: N, NO, O, ZO, Z, ZW, W, NW. Het diagram is verdeeld in hoogtezones, meestal twee of drie, rond de boomgrens of een bepaalde hoogte (bijvoorbeeld boven en onder 2.200 m). Gearceerde of gekleurde sectoren geven gevaarlijke combinaties van expositie en hoogte aan.

De expositieroos werkt met EN: het gemarkeerde gevaar geldt waar expositie EN hoogte EN steilheid samenvallen. Markeert de roos noord- tot oostexposities boven 2.200 m, dan wordt het probleem daar verwacht. Buiten de gemarkeerde sectoren is het gevaar lager, niet nul; het SLF gaat daar uit van ongeveer één niveau lager, en de uitloop van de gemarkeerde hellingen reikt nog altijd tot in het terrein eronder.

Een voorbeeld: niveau 3, met N, NO en O boven 2.400 m gemarkeerd. Een noordhelling op 2.600 m en een oosthelling op 2.800 m liggen in de gemarkeerde sectoren. Op hellingen buiten de gemarkeerde sectoren is het gevaar lager; de hellingshoek en de uitloop onder steiler terrein tellen nog steeds mee.

Nog een nuance: de expositieroos toont de zones waar het gevaar het waarschijnlijkst is, niet de enige waar het mogelijk is. Op de grenslijnen gaan de omstandigheden niet ineens van gevaarlijk naar ongevaarlijk. Een noordhelling op 2.350 m is niet buiten gevaar alleen omdat het bulletin de grens bij 2.400 m trekt. Gebruik de roos als richtlijn, niet als garantie, en houd een marge aan.

Van bulletin naar routebeslissing

Het bulletin lezen heeft alleen zin als je het vertaalt naar beslissingen over je route. Zo maak je er stap voor stap een plan voor de dag van.

Stap 1: Lees het gevaarniveau en de algemene beoordeling. Begin met het overzicht. Is het een dag voor ambitieuze doelen of voor behoudende keuzes in het terrein? Bij niveau 1 of 2, zonder oude sneeuw als lawineprobleem, heb je meer vrijheid. Bij niveau 3 of hoger is je keuze aan terrein vanaf het begin beperkt.

Stap 2: Bepaal de lawineproblemen van vandaag. Met wat voor gevaar heb je te maken? Nieuwe sneeuw en ingewaaide sneeuw zijn relatief goed in te schatten. Oude sneeuw vraagt extra voorzichtigheid. Bij natte sneeuw komt het aan op een goede timing. Elk probleem bepaalt je aanpak op een eigen manier.

Stap 3: Bekijk de expositieroos. Om welke exposities en hoogtes gaat het? Prent ze in je hoofd. Dat zijn de zones die je mijdt of alleen met uiterste voorzichtigheid betreedt.

Stap 4: Bekijk je geplande route op een kaart. Gaat die door de gevaarlijke zones uit de expositieroos? Controleer de hellingshoeken langs je route, vooral vanaf 30°. Op de BEYOND-kaart staat het gevaarniveau, met de kritieke exposities en hoogtes, op het 3D-terrein getekend, naast de hellingshoeklaag, zodat je ziet over welke hellingen op je route het bulletin het heeft. Denk eraan dat de gevaarzones niet alleen de hellingen omvatten die je wilt afdalen, maar ook de hellingen boven je stijgspoor en boven de plekken waar je ombouwt.

Stap 5: Denk na over alternatieven. Gaat je geplande route door gevaarlijk terrein, zoek dan opties op andere exposities, op lagere hoogtes of in een heel ander gebied. Het is essentieel dat je een plan B en een plan C hebt voordat je uit de auto stapt.

Stap 6: Bekijk de tendens. Neemt het gevaar de komende dagen toe of af? Een dalende tendens betekent dat de omstandigheden stabiliseren. Een stijgende tendens, zeker met slecht weer of opwarming op komst, betekent dat je juist behoudender moet zijn, niet minder.

Stap 7: Maak een tijdschema. Is natte sneeuw een probleem, plan dan een vroege start en een uiterste tijd waarop je van steile zuidhellingen af moet zijn. Valt er 's nachts nieuwe sneeuw, houd dan rekening met minder zicht en extra belasting van de hellingen.

Blijf tot slot bijstellen: het bulletin is een verwachting; wat je op de dag zelf ziet, gaat voor. Beoordeel de situatie de hele dag door opnieuw. Zie je tekenen van instabiliteit (verse lawines, scheuren die wegschieten, een sneeuwdek dat inzakt of whumpf-geluiden), dan zijn de omstandigheden slechter dan het bulletin deed vermoeden en moet je meteen bijsturen.

Waar je lawinebulletins vindt

Elk groot Alpenland publiceert lawinebulletins via zijn nationale of regionale lawinedienst. Dit zijn de belangrijkste bronnen:

Zwitserland: het SLF (WSL-instituut voor Sneeuw- en Lawineonderzoek) publiceert het bulletin op slf.ch en in de app White Risk. In de winter verschijnt het elke dag om 17.00 uur en is het geldig tot 17.00 uur de volgende dag; als het gevaar ergens in Zwitserland niveau 3 of hoger is, publiceert het SLF ook een update om 8.00 uur.

Oostenrijk: voor Tirol publiceert avalanche.report (de Euregio-dienst die Tirol deelt met Zuid-Tirol en Trentino) om 17.00 uur, voor de periode tot 17.00 uur de volgende dag. De andere Oostenrijkse deelstaten (Vorarlberg, Salzburg, Karinthië, Stiermarken en andere) publiceren hun eigen bulletins via hun eigen lawinedienst.

Frankrijk: Météo-France publiceert een BERA (Bulletin d'Estimation du Risque d'Avalanche) voor elk massief in de Alpen, de Pyreneeën en op Corsica. Het wordt 's middags geschreven (in de bulletins die we bekeken staat 16.00 uur), voor de volgende dag.

Italië: de regionale diensten, verenigd in AINEVA, publiceren per regio; Zuid-Tirol en Trentino zitten in avalanche.report.

Op de BEYOND-kaart staat het gevaarniveau van de Europese lawinediensten op de hellingen getekend. Voor Zwitserland (SLF), Tirol (avalanche.report) en Frankrijk (Météo-France) heeft deze website daarnaast een pagina per regio: op onze pagina lawinebulletins zoek je een regio op en zie je het gevaarniveau en de lawineproblemen, met een link naar het volledige bulletin bij de bron. Voorbeelden: Kandersteg en Zermatt (SLF), Kalkkögel in Tirol (avalanche.report) en Mont-Blanc (Météo-France).

Veelgemaakte fouten

Ook ervaren skiërs buiten de piste vervallen in gewoontes die goed gebruik van het bulletin ondermijnen. Dit zijn de meest gemaakte fouten, en zo voorkom je ze.

Alleen naar het gevaarcijfer kijken. Het cijfer is een samenvatting: het vat ingewikkelde omstandigheden die van plek tot plek verschillen samen in één cijfer. Twee dagen op niveau 3 kunnen totaal verschillend zijn, afhankelijk van de lawineproblemen, de exposities waar ze spelen en de hoogtezones. Lees elke keer het volledige bulletin.

Niveau 2 zien als “geen gevaar”. “Matig” klinkt geruststellend, maar het is geen groen licht: niveau 2 betekent dat het gevaar op bepaalde hellingen verhoogd is, en in Zwitserland valt ongeveer 30% van de lawinedoden bij dit niveau. Terrein dat het bulletin bij niveau 2 gevaarlijk noemt, is gevaarlijk.

De lawineproblemen niet lezen. Dat het gevaar niveau 3 is, zegt iets over de omvang. Dat het om oude sneeuw gaat, zegt iets over de aard van het gevaar, en oude sneeuw vraagt een heel andere aanpak dan nieuwe sneeuw of ingewaaide sneeuw. Het “wat” telt net zo zwaar als het “hoeveel”.

De expositieroos negeren. De roos laat precies zien waar het gevaar zich concentreert. Als je niet nagaat om welke exposities en hoogtes het gaat, tast je in het duister. Markeert de roos noordhellingen boven 2.500 m, dan valt een zuidhelling op 2.000 m buiten de gemarkeerde sectoren: daar is het gevaar lager, maar niet nul.

Je plan niet aanpassen als wat je in het terrein ziet afwijkt van de verwachting. Het bulletin is een regionale verwachting, geen garantie per helling. Zie je tekenen van instabiliteit die het bulletin niet voorspelde (verse lawines, whumpf-geluiden, scheuren die wegschieten), dan zijn de omstandigheden slechter dan verwacht en moet je meteen behoudender terrein kiezen.

Vergeten dat het bulletin regionaal is. De lawinesituatie verschilt van plek tot plek. Een zuidhelling die uit de wind ligt, kan stabieler zijn dan het bulletin aangeeft. Een geul waar de wind doorheen jaagt, kan gevaarlijker zijn. Het bulletin geeft het kader; wat je zelf in het terrein ziet, vult de lokale details in.

Vragen

Wat is het gevaarlijkste gevaarniveau?

Niveau 5 (zeer groot) is het gevaarlijkste niveau, maar ook het zeldzaamste. De meeste lawinedoden vallen bij niveau 3 (aanzienlijk), omdat skiërs het gevaar bij dit niveau onderschatten: in Zwitserland valt ongeveer de helft van alle lawinedoden bij niveau 3 (SLF).

Bij welk gevaarniveau gebeuren de meeste lawineongevallen?

In Zwitserland valt volgens het SLF ongeveer 50% van de lawinedoden bij niveau 3 (aanzienlijk), ongeveer 30% bij niveau 2 (matig), ongeveer 10% bij niveau 4 en ongeveer 1% bij niveau 5. Bij niveau 4 en 5 gaan minder mensen het lawineterrein in, en dus gebeuren daar minder ongevallen.

Hoe vaak worden lawinebulletins bijgewerkt?

In de winter publiceert het SLF elke dag om 17.00 uur, met een extra update om 8.00 uur als het gevaar ergens in Zwitserland niveau 3 of hoger is. avalanche.report (Tirol, Zuid-Tirol, Trentino) publiceert om 17.00 uur. Météo-France schrijft het BERA voor elk massief 's middags, voor de volgende dag. Kijk voor de publicatietijd op het bulletin zelf.

Waar kan ik de actuele lawinebulletins voor de Alpen lezen?

Op de BEYOND-kaart staat het gevaarniveau van de Europese lawinediensten op de hellingen getekend, en als je op een punt klikt, zie je het bulletin voor die plek. De website toont de bulletins van het SLF (Zwitserland), avalanche.report (Tirol) en Météo-France (Frankrijk) per regio op onze pagina lawinebulletins, met een link naar het origineel. Je kunt ook rechtstreeks naar de diensten gaan: slf.ch voor Zwitserland, avalanche.report voor Tirol, Zuid-Tirol en Trentino, en meteofrance.com voor Frankrijk.

Wat is het verschil tussen de Europese en de Noord-Amerikaanse lawineschaal?

Beide gebruiken een schaal van 1 tot 5, maar de namen verschillen iets. De Europese lawinegevarenschaal, vastgesteld door de EAWS (European Avalanche Warning Services, de Europese lawinediensten), gebruikt gering, matig, aanzienlijk, groot en zeer groot. De Noord-Amerikaanse schaal gebruikt low, moderate, considerable, high en extreme. De kernbegrippen en de gevolgen in de praktijk zijn dezelfde.

Over BEYOND

Uitgegeven door GoBeyond, het bedrijf van Luuk van der Poel en Ziggy Triou, twee snowboarders uit Nederland die BEYOND Maps bouwen: een 3D-kaart van de Alpen met liften en pistes, hellingshoek, het lawinegevaar van vandaag op de hellingen en je eigen routes, met daarnaast bulletinpagina's per regio op deze site. Gratis account, draait in je browser.